Spraakstoornissen

– Vertraagde spraakontwikkeling

Men spreekt van een vertraagde spraakontwikkeling wanneer de spraak van het kind duidelijk achterblijft bij leeftijdsgenootjes. Jonge kinderen spreken de woorden meestal onvolledig uit. Sommige kinderen blijven langer dan normaal uitspraakfouten maken. Normaal gesproken is een kind van 3 jaar redelijk goed verstaanbaar voor een ander; een kind van 5 jaar kan de (meeste) klanken goed uitspreken.

Wat doet de logopedist?

De logopedist onderzoekt de spraak van het kind. Verder onderzoek en eventueel behandeling door een kno-arts of kinderarts kan nodig zijn.

De logopedische behandeling kan direct of indirect zijn. Bij een indirecte therapie instrueert en begeleidt de logopedist de ouders/verzorgers in de manier waarop ze het kind tot spreken kunnen stimuleren. Bij een directe logopedische behandeling staat de wisselwerking tussen kind en logopedist centraal. Er worden luisteroefeningen gedaan, waarbij het kind leert minimale verschillen tussen woorden te onderscheiden en het correct uitspreken van klanken en klankcombinaties wordt geoefend. De ouders/verzorgers krijgen adviezen om thuis gerichte spraakoefeningen te doen.

– Articulatiestoornissen

Bij fonologische articulatiestoornissen verloopt de spraakontwikkeling duidelijk anders dan gemiddeld. Bepaalde klanken kunnen vervangen worden door andere klanken (b.v. een k wordt een t) of worden weggelaten of worden vervormd.
Bij fonetische articulatiestoornissen verloopt de spraakontwikkeling iets anders dan gemiddeld. Bepaalde klanken worden met de tong tegen of tussen de tanden uitgesproken

Wat doet de logopedist?

De logopedist onderzoekt en analyseert de spraak. Er worden gerichte spraakoefeningen gegeven, die thuis herhaald dienen te worden.

zie voor meer informatie www.kindentaal.nl

– Binnensmonds spreken?

Bij binnensmonds spreken wordt er nauwelijks gearticuleerd en zie je de mond dan ook nauwelijks bewegen. Hierdoor wordt de verstaanbaarheid duidelijk minder.

Wat doet de logopedist?

De logopedist geeft gerichte spraakoefeningen om meer mondbeweging tot stand te krijgen.

– Nasaliteit

Nasaliteit is neusspraak. Er stroomt dan (te veel) lucht door de neus tijdens het spreken, waardoor de spraak nasaal klinkt. Dit kan komen doordat het zachte gehemelte de neusholte niet goed afsluit tijdens het spreken (= open neusspraak) of doordat de neus verstopt is (=gesloten neusspraak).

Wat doet de logopedist?

De logopedist stelt vast of men te maken heeft met open- of gesloten neusspraak. Bij open neusspraak geeft de logopedist blaas- en zuigoefeningen om het gehemelte te trainen. Ook worden er luisteroefeningen en gerichte spraakoefeningen gegeven.

– Slissen

Bij slissen wordt de s verkeerd uitgesproken. Door te slappe tongspieren of te weinig beheersing van de tongmotoriek klinkt de s onzuiver.

Slissen gaat vaak samen met afwijkende mondgewoonten. Het kan op alle leeftijden voorkomen.

Wat doet de logopedist?

De logopedist geeft luisteroefeningen om het onderscheid te leren horen tussen een goede en een foute s. Met mondmotoriek oefeningen worden de spieren in de mond versterkt en leert men de tong op een juiste manier te gebruiken. Vervolgens wordt de s aangeleerd zowel in woorden als in zinnen.

– Broddelen

Broddelen is een stoornis in het spreken die zich uit als een niet-vloeiende, moeilijk verstaanbare spraak. Opvallend zijn een slappe uitspraak, een hoog spreektempo, het ineenschuiven van woorden (b.v. duidelijk wordt duilijk), stopwoordjes, snelle woord- en klankherhalingen en moeite hebben met het formuleren van gedachten.

Het probleem wordt vaak pas duidelijk rond zevenjarige leeftijd.

Wat doet de logopedist?

De behandeling richt zich vooral op confrontatie met de eigen spraak, uitspraaktraining, aandacht voor de lettergrepen, training in correct formuleren en ritme- en intonatietraining.

– Verbale ontwikkelingsdyspraxie

Dit is een stoornis die te maken heeft met beweging: de mond wil niet op de juiste manier bewegen. Het kind heeft moeite met het programmeren, afstemmen en controleren van de bewegingen die nodig zijn voor het spreken.

Door deze stoornis zijn de klanken onherkenbaar of ze komen op de verkeerde plaats in het woord terecht. Het komt voor dat het kind de klank wel in het ene woord kan maken en niet in het andere. Het kan zelfs zo zijn dat een klank of woord niet uitgesproken kan worden, terwijl het op een andere moment wel lukte.

Wat doet de logopedist?

De logopedist onderzoekt de spraak en de mondmotoriek van het kind en observeert het eten en drinken.

De logopedische therapie is gericht op het leren aansturen van de spraakbewegingen. Eerst wordt er geoefend met bewegingen van tong, lippen, kaken en gehemelte om deze nauwkeurig te maken. Vervolgens worden deze bewegingen toegepast in de verschillende spraakklanken. De aangeleerde spraakpatronen moeten worden ingeslepen. Dit lukt niet met een paar keer oefenen, maar vereist een geregelde en consequente training, ook thuis.

– Meertaligheid bij volwassenen

Sommige anderstalige volwassenen hebben moeite met de klankvorming en de juiste toepassing van intonatie, ritme en snelheid in de Nederlandse taal.

Zoals ook bij ééntaligheid sprake kan zijn van zwak taalgevoel, luisterproblemen en verminderd gevoel voor de toepassing van juiste klanken, zo kan zich dit ook bij het leren van een tweede taal voordoen. Daarnaast zijn er tussen talen verschillen in specifieke spraakkenmerken en intonatie mogelijk die een expliciete training ervan noodzakelijk maken.

Er kunnen problemen ontstaan met het verwerven van het Nederlands, waardoor de communicatie verstoord kan raken en een belemmering kan optreden in deelname aan sociale activiteiten. Het kan een beperking vormen bij (vervolg)opleiding en beroepsperspectief.

Wat doet de logopedist?

De logopedist brengt in kaart wat het knelpunt is in de taalverwerving van het Nederlands. Daarbij wordt een afweging gemaakt wat de specifieke taak is van de logopedist en van andere betrokkenen zoals docenten Nederlands als tweede taal (NT2). De logopedist geeft luister-, articulatie- en stemtraining.

– Stotteren

Stotteren is het herhalen van klanken, lettergrepen of woorden, het verlengen van klanken en/of het blokkeren van de spraak. Daarnaast kunnen er begeleidende symptomen voorkomen, zoals het meebewegen van gezicht en/of lichaamsdelen, transpireren, vermijden van bepaalde klanken/woorden en/of spreeksituaties.

De oorzaak kan gevonden worden in een zwakke aanleg voor timing van de spraakbewegingen. Deze aanleg is vaak erfelijk, maar dat wil niet zeggen dat iedereen met deze aanleg in de familie gaat stotteren. Daarnaast kunnen ook mensen zonder familiaire aanleg gaan stotteren. Omgevingsfactoren kunnen het stotteren doen toenemen of in stand houden.

Stotteren kan meer of minder ernstige communicatieproblemen, spreekangst, minderwaardigheidsgevoelens, verminderd beroepsperspectief en/of het vermijden van sociale activiteiten tot gevolg hebben.

Wat doet de logopedist?

De logopedist doet onderzoek en bekijkt hoe het stotteren zich heeft ontwikkeld en in welke fase het stotteren is. De therapie wordt daarop afgestemd. Dit kan betekenen dat de logopedist een advies geeft voor behandeling elders, bijvoorbeeld bij een logopedist/stottertherapeut of een regionaal centrum voor stottertherapie. Stotteren bij jonge kinderen is vaak moeilijk te herkennen omdat het meestal geleidelijk ontstaat. Zo vroeg mogelijk ingrijpen is wel uiterst belangrijk, want bij 5% van deze kinderen kan onvloeiende spraak zich ontwikkelen tot chronisch stotteren.

Bij twijfels over stotteren bij kinderen is het belangrijk advies te vragen bij een logopedist. Door vroeg in te grijpen kunnen ernstige stotterproblemen voorkomen worden.

zie voor meer informatie www.stotteren.nl